Notulen zijn een weergave van wat er is gezegd. De manier waarop je dit doet is belangrijk. Vergelijk de volgende twee voorbeelden:
| Voorbeeld 1: De heer Jansen zegt dat hij blij is met het voorstel van de penningmeester. De heer Jansen zegt dat er misschien enkele nadelen zijn aan het voorstel. Mevrouw De Vries zegt dat de voordelen opwegen tegen de nadelen. De heer Jansen zegt dat hij het hier mee eens is. |
| Voorbeeld 2: De heer Jansen is enthousiast over het voorstel van de penningmeester, maar merkt op dat er mogelijk ook nadelen zijn aan het voorstel. Mevrouw De Vries stelt dat de voordelen opwegen tegen de nadelen. De heer Jansen stemt hiermee in. |
Wanneer je deze voorbeelden vergelijkt, dan valt op dat in het tweede voorbeeld steeds andere woorden zijn gekozen om aan te geven dat iemand iets heeft gezegd. Er is variatie in het woordgebruik. Dit maakt de tekst beter leesbaar.
Wil je prettig leesbare notulen maken, besteed dan aandacht aan variatie in het woordgebruik. De onderstaande tabel is een weergave van het woordveld van "spreken/praten/zeggen". De tabel kan uiteraard verder worden uitgebreid en worden aangevuld.
Spreken, praten, zeggen |
mededelen | bekend maken | |||
| roepen | |||||
| schreeuwen | |||||
| fluisteren | mompelen | ||||
| stamelen | |||||
| slissen | |||||
| stotteren | |||||
| constateren | beweren | uitleggen | |||
| toelichten | |||||
| beargumenteren | |||||
| tegenspreken | |||||
| verzekeren | |||||
| zweren | |||||
| liegen | overdrijven | ||||
| opscheppen | |||||
| berichten | |||||
| bekennen | |||||
| vertellen | |||||
| kletsen | roddelen | ||||
| voor zich uit praten | |||||
| ijlen | |||||
| opmerken | |||||
| vragen | informeren naar | ||||
| uithoren | |||||
| navragen | |||||
| verzoeken | vragen om | bedelen om | |||
| bevelen | |||||
| voorstellen | adviseren | ||||
| aanbevelen | |||||
| antwoorden | tegenspreken | ||||
| ontwijken | |||||
| herhalen | |||||